Aan het water, in het hoofd

Weer is het mijn broer. Hij belt voor de tweede keer vandaag. Dus er moet wel iets aan de hand zijn. Hij vraagt wat moeilijk verstaanbaar: “Wat ben je aan het doen?” Ik antwoord: “Ik ben Sherlock Holmes aan het kijken met Robert Downey Jr. en Jude Law, maar Jeremy Brett en Edward Hardwicke zijn eigenlijk veel leukerder.” “Ik heb pas een Sherlock Holmes gezien met een of andere rare, jonge versie van Willem van Hanegem in de hoofdrol,” grinnikt mijn broer. “Maarre, waar ik voor bel – weet je nog dat we als kind in Rotterdam lagen en zo’n rijtje telefooncellen zagen, vlakbij die supermarkt waar vlakbij de schippers een beetje zaten te drinken?” Bij de woorden ‘rijtje telefooncellen’ heb ik subiet beeld. Als kind vond ik dat maar raar, die telefooncellen aan het water. Ik herinner mij de kleur groen. Dat was vast niet de kleur van de haven. Want het waren de vervuilde zestiger jaren. “Het is maar vreemd hoor, hier weer met een schip te liggen,” vervolgt broertje, die nu baas in eigen boot is. Inderdaad, wie had dat ooit gedacht.
Hij heeft er flink wat jaren als muzikant op zitten: toeren door Duitsland, Engeland, de VS, door eigen land. Toen kwam het gedonder om geld, niet goed gemaakte afspraken en tenslotte het verraad. Een bandlid kneep er met de poet tussenuit. Nadat het management intussen zelfs al verordeningen uitgaf welke kleding de groep moest dragen. Dat streek mijn broer danig tegen de door een ongezond leven uitgedunde haren in. “Als ze al gaan vertellen aan welk merk ik mijn carrière moet gaan hangen, is het voor mij Schluss,” waren zijn woeste woorden geweest. Jarenlang mochten wij het onderwerp muziek niet aansnijden in zijn bijzijn, mijn moeder en ik. Te pijnlijk.
Nu heeft mijn broer een eigen schip en ligt hij bij onze telefooncellen. “Ik heb net naar Spasmodique en ook naar wat eigen nummers zitten luisteren,” zegt broeders. Als ‘muziek die naar havens ruikt’ omschreef hij ooit de rauwe klanken van de Rotterdamse undergroundband. Ik gebruikte deze omschrijving later als kop voor het interview dat ik de zanger van de groep afnam. Tijdens een concert van Spasmodique keken mijn broer en ik elkaar aan: dit willen wij ook! Het waren de jaren tachtig. Tot De Bom zou vallen, moesten we eerst nog zoveel mogelijk drinken en drugs gebruiken. Zo zie je maar weer: alles komt goed. “Ik denk dat ik maar een fretless Wal bas ga kopen,” wordt er vanuit een haven die naar muziek ruikt in mijn oor geboerd. “Of een Chapman Stick.” Ik weet dat mijn broer vanavond, met een glas wodka in zijn hand, in het water zit te staren. Want daarin ligt een muziekcarrière. Morgen is hij weer schipper. Morgen koopt hij die bas die hij nooit had.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

HTML tags are not allowed.