En voorbij ging de muziek

Toen de Berlijnse Muur werd gebouwd en de Cubacrisis aanstaande was, rolde ons binnenvaartschip, de Frankie-A, zwart als een schoppenaas van de werf van de gebroeders Sander in Delfzijl. Dat was in 1961, toen een prille Beatles in donker leer gehuld Hamburg onveilig maakte – of net ging maken – en de ster van mijn ouders, de Duitse orkestleider James “Hansi” Last, nog moest rijzen. De Frankie-A moest “smoel” krijgen, zo noemen ze dat op de vaart – karakter. “De handtekening moest nog op het water worden gezet”, zoals mijn vader het noemde.

Het was hoogzomer tijdens de proefvaart, de gangboorden waren van gloeiend heet staal. Stroomopwaarts hadden Duitse wijnboeren hun druiven bespoten en toen het hoog water werd, spoelde de DDT van de onderste ranken af. Met als gevolg dat de sluizen stinkend zilveren tapijten van dode vis uitbraakten, de stank was onvoorstelbaar. Dode vissen, blakend van zonovergoten zilver.

Kijk maar, zie hoe mijn vader en de matroos zwoegen met een schep in het gangboord van ons schip, hier op die foto’s op mijn schrijfbureau. Zo zien mensen eruit die alleen nog maar op een foto bestaan. Ze zijn stil geworden, maar toch ook nog in beweging eigenlijk. Dat is hoogst merkwaardig. Ze zijn er niet meer, maar blijven toch aanwezig. Omdàt ze er niet meer zijn. Zo gaat dat in het geheugen, zo gaat dat met de afwezigen. ‘s Nachts staan zij met andere namen in dromen op.

Nadat vader met matroos Hans, onze matrozen op de Frankie-A heetten op de een of andere manier altijd “Hans”, de dikke laag dode vis uit het gangboord had geschept, riep moeder de twee voor koffie binnen. Toen hoorde moeder hen … op onze kleine zwartwit Nordmende-radio …. net voordat zij tegen mijn vader – in het bijzijn van onze matroos nog wel – wilde zeggen: ‘Frank, ik geloof dat ik osseknieën heb.’ Maar ma zei niets meer. Ma hoorde Beatles. Mijn vader riep: ‘Maar Sjakkie toch, wat is dat voor rotherrie!?’ De muziek was nauwelijks te horen, de gillende meisjes op de radio des te meer. ‘Frank zwijgt!’ zei moeder. Ze was haar osseknieën helemaal vergeten. Ze vond het prachtig en vond, ondanks al het hysterische gegil, dat vooral mijn vader zijn mond moest houden. De Beatles waren wel andere koek dan James Last. Vanaf dat moment zou mijn moeder altijd van popmuziek blijven houden.

Het zou niet lang duren of ma legde op verjaardagen rustig Hawkwind en James Last achter elkaar op de draaitafel. De kaartende visite was in shock. Geen enkele verjaardag zou meer hetzelfde worden. Vooral niet toen daar, veel later, ook nog “Ace of Spades” van Motorhead aan werd toegevoegd. Maar toen woonden we al aan wal, in een huis en was het schip verkocht. Mijn vader vond maar drie popnummers mooi: “Sailing” van Rod Stewart, “Sledgehammer” van Peter Gabriel – en wat was dat derde nummer ook alweer? Vooral toen hij ziek werd, en weinig kon hebben, was muziek vooral iets om uit te zetten als er iemand op bezoek kwam. Die iemand kwàm op bezoek. En toen was het dan eindelijk voorgoed stil in huis. Want na die tijd heeft moeder maar weinig James Last of Hawkwind meer gedraaid.

← Terug naar Schrijver