Mep zei Bep

Mijn opa was ingeënt met een grammofoonnaald, zo veel verhalen als hij kon vertellen. Net als mijn vader. Opa Anton en pa Frank waren mijn vertelacademie; mijn journalistieke school. Naast het vertellen van verhalen tekende opa Anton ook graag, na ‘s nachts aan boord langdurig naar de sterren te hebben zitten staren. Ik heb nog een dub­bel­zijdi­ge teke­ning van hem, afgebeeld op het kar­ton­nen deksel van een schoenen­doos. Daarop staan twee zeilschepen afge­beeld, met vlag en wimpel stavast tegen de wind in gete­kend. Zo dwars en tegen­draads kon mijn opa zijn. Hij was mijn Bep van Klave­ren, die bokser uit Rotterdam, mijn Rot­ter­dam­se Reus. Toen hij dood moest gaan, stribbelde hij tegen. Ook op zijn sterfbed was er geen land met hem te bezeilen. Het ziekenhuis had de handen vol aan die schipper die maar niet wilde vertrekken. Al was hij kasversleten van een handwerkend bestaan op het water. Het verplegend personeel moest hem aan bed vastsnoeren. In zijn laatste uren nog wist hij de riemen waarmee dat was gedaan te breken. Zo vertelde tenminste mijn moeder, veel later. ‘Frankske, Frankske, ik ben mijn leven lang bang geweest’, bekende mijn stoere opa toch aan mijn vader voordat hij in diens armen stierf.

Ik zat op mijn bed achter het open raam van mijn slaapkamer een radio te repare­ren toen een kennis van de familie het slechte nieuws bracht. Het was een zonnige dag. Zij riep omhoog: ‘Je opa is dood.’ Haar stem was als een mokerslag. De radio in mijn schoot begon te bazelen. Ik zei ‘dankjewel’ en ging verder. Natuurlijk niet. Mijn opa was niet dood. Kon niet. Wanneer ik deze radio gerepa­reerd heb, herstel ik gewoon weer de verbinding met hem. ’Cause I’ve got a Silver Machine; handen vol magie.

← Terug naar Schrijver