de wens naar frens

In 1989 kwam ik met mijn vriendin Jeanine in Nijmegen wonen. In een hoekpand met een aparte ingang voor de bovenverdieping en een ingang beneden. Een studentenhuis zullen we het maar noemen. Eigenlijk woonden daar teveel mensen in één huis. Maar het was er toeterend gezellig en er was altijd wel wat aan de hand. Jeanine en ik gingen samen op één kamer wonen. Eerst beneden. Toen boven. Zij besloot het op een gegeven moment aan te leggen met een kaalgeschoren glazenophaler die in keldercafé Gonzo werkte. Iedereen had het in de gaten. Behalve ik. Dat was ook niet zo gek. Want het waren mijn leeggedronken glazen die Henk altijd ophaalde. Menig avond bracht ik drinkend in Gonzo door en verzaakte daarmee het lichamelijk onderhoud van onze relatie. Dus eigenlijk snapte ik Janine wel een beetje. Er kwam een kamer vrij in ons “studentenhuis”, een klein kamertje. Het enige kamertje dat nog kleiner was, was de wc ernaast. Het kleine kamertje was van Francis. Zij ging – indien ik het mij goed herinner – voor een half jaar naar Afrika en daarom kon ik haar logement voor zes maanden betrekken. Dat Frens op reis ging betekende dat het ook zes maanden lang een stuk stiller was in huis. Want zij was een wandelende energiecentrale waarin – in tegenstelling tot mijn persoon – geen benzine hoefde te worden in gegooid. Frens had geen drank nodig om een potje vrolijke stennis te bouwen. Zij kwam vanzelf wel op gang. Ze had ook een vriendin, Naomi, ook niet het geringste éénpersoonsorkest van de symfonie der toeterende levenslust. Op een donkere avond bracht ik haar naar huis omdat ik zogenaamd galant wilde zijn. Maar ik wilde heel iets anders. Naomi hoefde er niet lang over na te denken om mij snel de deur te wijzen. Maar dat is weer een ander verhaal. Haar vriendin Francis ging dus naar Afrika en Frank betrok haar kleine kamertje.

Toen zij na een half jaar weer terug kwam, was er in die tijd gelukkig een andere kamer vrij gekomen. Dus kon ik in ons gezellige studentenhuis blijven wonen. Ik betrok een kamer recht boven die van Francis. Het was gehorig, zoals in het gehele huis. Als Francis van Jacques Brel hield, dan hield ik er ook van. Binnen de kortste keren had ik haar zus, die een keer bij haar bleef logeren, tegen mijzelf in harnas gejaagd. Want er zijn namelijk geen grotere zeikerds dan muzikanten wat geluidsoverlast betreft. Want dat was ik intussen geworden: muzikant. Zanger, om precies te zijn. Van een trio dat The Noisy Trojans heette. Dat Trojans ook een condoommerk was, werd pas later bekend. Toen we onze eerste democassette al hadden opgenomen en het artwork klaar was. Grapje van de gitarist, Will. We namen die democassette op in de schaduw van de Stevenskerk. Zo heette dat toen nog: democassette. Zingend zat ik op bed tussen de spannende lingerie van de vrouw van de opnametechnicus. Haar was hing te drogen. Vol balts zong ik de demo vol, starend naar de pikante werkjes in bordeauxrode, paarse en roze onderbroekjes en bh’tjes. Zou The Noisy Trojans een geschikt trio zijn om er groepies op na te houden? dacht ik. Ik was er weer helemaal klaar voor. Ik moest de drank afzweren en naar mijn lichaam gaan luisteren. Nou, probeerde op de hoek Dommer van Poldersveldtweg-Tooropstraat maar eens de drank af te zweren. Dat was net zo’n opgave als proberen Janine uit de innige omarming van Henk los te rukken. Bovendien speelde ik ook nog eens in een band. Afijn, wij hadden dus onze eerste demo opgenomen en dat moest gevierd worden. In aanwezigheid van collega-Trojans Martin en Will deden we dat, in café het Paleis. We gingen het helemaal maken. Proos! Proost en nog eens proost!

Soms gebeurt het wel eens dat je tengevolge van dronkenschap een incident veroorzaakt. Zo heet dat dan: een incident. Hoe ik in godsnaam helemaal van café het Paleis in het centrum naar de Nijmeegse buitengebieden heb weten te komen, is tot op de dag van vandaag een raadsel. Hoe ik de deur van ons studentenhuis heb weten open te krijgen ook. En hoe ik de trap op ben gekomen ook. Maar wat ik zeker vergeten was: Francis was al lang weer terug uit Afrika. Ik meen mij te herinneren dat ik de deur van het kleinste kamertje nogal luidruchtig opende, en met mijn zatte kloten bij Frens in bed wilde bed kruipen. En ik meen mij ook te herinneren dat zij mij vanuit bed met hikkende stuiplach in vrolijke verbazing aanstaarde. Ik meen mij echt te herinneren dat ik mij dat nog herinner.

Ja, en nu denken jullie allemaal dat dit niet waar is, hè?! Dat het één grote wensdroom is geweest. Wellicht een erotische wensdroom zelfs. Nou ja, misschien hebben jullie wel gelijk. Dat vinden mannen met hoogblond ouderdomshaar nou eenmaal leuk, zo’n droompje van papier. Wie zal het zeggen. Laten we het daarom maar geheim houden.

En nu zijn we zo’n dertig jaar verder, ouder geworden en hopelijk worden we nog ouder. Want er is er een jarig. Voor vrouwen is het vaak een grotere opgave dan voor kerels, dat ouder worden. Maar je moet als partner op een bepaald moment in je leven gewoon onder de motorkap van je levensgezel blijven kijken, goed kijken wat daar zit. Het heeft er altijd gezeten. Daar zit een omnipotent en pregnant gevoel. Het is de kracht waarmee wij mensen worden gemaakt. Liefde is het muuranker van een heel oud huis. En van kracht gesproken: Francis hoef je niet eens op te starten. Dat doet ze zelf wel. Nog steeds. Ze komt meestal vanzelf wel op gang. Dat is altijd zo geweest. En hopelijk duurt dat nog heel lang.    

← Terug naar Schrijver