Vluchten

Eens klaagde een schipper: ‘Mijn matroos is lui en kan niks. Ik moet hem vertellen wat hij allemaal moet doen en daarna drinkt hij te veel bier. Hij is een geval van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Niks mee te beginnen. Ook wast hij zich bijna niet.’ De naam van die binnenvaartmatroos was André Hazes. De luie vlegel die graag bier bleef drinken, gaf dat werk op en ging, eenmaal beroemd, nog meer bier drinken. Ikzelf was vooral een onhandige matroos. Niet alleen omdat ik ook dronk tijdens het werk, maar omdat ik ze daarnaast vooral vaak zag vliegen. Met dat notitieblokje in de zak van mijn doorwerkjas. Het bestaan van werkelijk schrijver zijn, lag nog ver weg. Maar ik had al een vermoeden, daar tussen de wal en het schip. 

Het enige succesvolle vooralsnog was het afscheid als binnenvaartmatroos. Zoals dat heet: ik belandde als een vis op het droge. Dus besloot ik op de wal mijzelf goed nat te houden. Op zekere dag kwam ik de inmiddels landelijk bekende ex-matroos tegen. Met mijn zatte kop zat ik samen met André Hazes naar een vluchtelingenstroom op de Balkan te kijken. Hij zat in een tv-studio. Ik zat voor de beeldbuis. Op mijn armzalige zolderkamertje. Op de een of andere manier had ik het idee dat zijn tranen oprechter waren dan de mijne. Altijd had iemand om mij heen wel iets te zeiken over André, maar ik geloofde in zijn oprechtheid van dat moment. Hij keek naar de onafzienbare rij vluchtelingen en schoot vol. Ik zat destijds al te janken voordat ik ook maar een tv aanzette. Maar tegen zelfmedelijden valt iets te doen. Door bijvoorbeeld andere mensen te helpen of erger. Of tegen de macht van dat moment de middelvinger op te steken en te zeggen: fuck you! Zoals de punks dat deden in de jaren zeventig. Punks bleken later zoveel socialer dan hippies. Maar ik was niets van dat alles. Ik zette het op een zuipen… en gottegottegot: wat vond ik die mensen daar op tv toch zielig en wat leed ik daar zelf toch onder. Een regelrechte smartlap van André Hazes was ik. Die net als Herman Brood in genotsmiddelen zijn ruggengraat zocht. Als hij dat deed, had ik daar toch ook recht op, om op die manier mijn leed te verzachten?! Maar Herman had een carrière, jongen! Hij kon vluchten in zijn beroemd zijn en besteedde daarom niet alleen veel aandacht aan zijn ruggengraat, maar ook aan zijn kleding en uiterlijke verzorging. Hij had een schuilkelder gevonden in zijn rock & rolltalent. Maar jij wast je te weinig en drinkt te veel, gozert! Wie denk je wel dat je bent?! Lemmy-op-een-zoldertje?! 

Herman en André en Lemmy zijn inmiddels al lang dood. Op vedetten hoeft onze wereld niet meer te rekenen. Die zijn op. Wel zijn er nog steeds onophoudelijke vluchtelingenstromen. Mensen die een blues zingen waarvan wij kijkbuiskinderen geen vermoeden hebben. Muziek heeft de wereld nooit veranderd. Kortstondig ja. En dan weer verder op de bekende weg. De ellende waarover muzikanten en schrijvers verhalen, is in werkelijkheid niet te harden. Wat daar werkelijk nodig is, zijn de trompetten van Jericho. Die de muren van het kwaad ineen zullen doen storten. Maar dat zal niet gebeuren. Omdat de concurrentie op de handelsmarkt moet worden uitgeschakeld en er effectenbeurzen zijn. Jij intussen mag kermend naar je ruggengraat zoeken. Of in een god geloven. Bij sommigen mensen lijkt dat te helpen. Dat moet ook wel. Anders is er niets meer. Maar of het Onze Lieve Heer zal lukken nog echte mensen van ons te maken? Daar sta je dan met je vette haren en je biertje in de hand als we ons dat afvragen. Alleen als we verdoofd zijn krijgen we genade.  

← Terug naar Schrijver