Het Brandende Raam – deel 1 

Maart 2022. Met roestvrij metalen lichaamsdelen in een klein metalen koffertje in de achterbak razen we door een groen glooiend heuvellandschap van het uitgestrekte niets. Het is duidelijk: het geld wordt in het westen van Duitsland verdiend. Het is een verademing door een schijnbaar onbewoond landschap te rijden. Vooral als je een uitgewoond Nederland gewend bent. Hier op weg richting oosten is er alleen maar een snelweg vooruit naar een horizon en een niks van rechts en een niks van links en verder niks. Een met rust gelaten landschap. Wereldse afstanden, zogenaamd door internet geslecht, stellen iets voor als je werkelijk op weg bent. Mijn hoofd klaart nu al op. Geen wirwar van asfalt tussen kartonnen dozen loodsen slingerend door een landschap, zoals in mijn land. Maar goed, hier hadden ze in de Koude Oorlog weer heel iets anders aan hun hoofd. Bruinkoolindustrie, bijvoorbeeld. Die samen met kernenergie weer een opmerkelijke comeback zal maken wegens de oorlog in Oekraïne. 

We stoppen bij een Raststätte. Niet voor een portie junkfood, maar voor koffie en een milieusticker. ‘Die sticker is in deze contreien niet nodig’, zeggen een paar hoogstvriendelijke Oostblokdames. Die ook nog eens een keer de bestelde koffie nadragen die ik vreemd genoeg vergeet mee te nemen. In de Raststätte loopt meer personeel rond dan er klanten zitten. Net als in de DDR. Vijf man starend in een putje en het is er maar eentje die schept. We stappen weer in en passeren al snel de denkbeeldige grens tussen voormalig Oost en West. Met het woestijnzand uit Afrika nog op de lak speren we richting Rostock. Met het zeezand in de schoenen zullen we weer terug naar huis gaan. ‘Alleen plankgas kunnen we misschien aan de straling ontsnappen als ie op de knop drukt’, grapt mijn vrouw. Als ik naar haar kijk, kan ik niet geloven dat de mens niet deugt. Het is mooi weer op pad te zijn. Al was het een wat ander vertrek nu de pleuris is uitgebroken in Oekraïne. Want dat is de richting waarin we nu rijden. Steeds meer Poolse namen razen op verkeersborden voorbij. In beweging zijn is een goeie remedie tegen angst. Eenmaal in beweging na de mondkapjesterreur wil ik vanaf nu in een notitieblokje schrijven en in beweging blijven en in een notitieblokje schrijven. Daar heeft mijn vrouw mij mee besmet met onze eerste wereldtrip naar Azië. Hoe noemen de inwoners van het land waar ik ben opgegroeid dat ook weer?! Wanderlust, juist ja! Een goed middel tegen nihilistische gedachten en verslavingen. Reizen is een te bereiken liefde en een gezonde verslaving. 

Hoestend is de check-in bij het hotel. Sinds een aantal dagen heb ik een naar kuchje. Mijn vrouw zegt dat het de rode wijn is. Ik zeg: de naweeën van corona. Het metalen koffertje wordt veilig opgeborgen en al snel liggen we in bed. Heel belangrijk, goed uitgerust zijn voor de komende fotosessie. Want het is niet de minste cliëntèle die mijn vrouw op de foto moet zetten. Manon is moe van haar eerste keer een dag lang achter het stuur zitten. Ze valt snel in slaap en ik zet de tv aan. Zonder geluid. Hoor ik nou een luchtalarm? Is dat een trein of…?! Schaduwen wapperen in het gordijn van de open deur. Stemmen waaien gedempt mee naar binnen. Op tv beelden van oorlog en ellende en ik lig in bed met een wijntje. Pervers. Snel zet ik de tv uit. Het duurt even, maar ook ik weet dan toch de slaap te vatten. Een onrustige slaap met druk bezochte dromen. In ons geheime koffertje geen inhoud van medische hulpstukken. Er blijkt een bom in te zitten. Toch een sirene. Het raam van de hotelkamer wil maar niet open. Een vliegtuig vliegt over. Het raam beeft en trilt. Das Zitternde Fenster. Ik schrik wakker als een wilde. Manon kreunt. Al vroeg ben ik wakker, om vijf uur. Woelend licht is de rest van mijn slaap.

Voor ontbijt lopen we naar de lobby waar Manons Spotify-playlist wordt gedraaid. Die van gister op weg hierheen in de auto. Wonderlijk. We gaan zitten en doen ons mondkapje af. Bij elke gelegenheid moet je een kapje dragen hier. De tegenoverliggende wand vertelt in een mozaïek van afbeeldingen van een zeevarend volk. Vuurtorens, windjammers. Namen als Waterkant en Blanker Hans. Eén druk op de knop en we hebben geen geschiedenis meer. De zon verwarmt de rugkant van mijn flanellen houthakkershemd. Hier kommt die Sonne. Wat zal het worden: vóór de oorlog waren we nog in Rostock? Soms denk ik een wereld te zien die er eigenlijk niet meer is. 

Na het ontbijt verkennen we de stad. Een enorme graanschuur staat aan de verre haven en torent boven alles uit. Bouwjaar 1935. Vanuit het hotel zijn we de stad ingelopen, langs een prachtige kloostertuin. Hij ligt direct tegen de oorspronkelijke, oude stadswal. Een meisje doet strekoefeningen aan de voet van een machtige boom. Soepel gaat zij door de knieën. Haar billen spannen strak aan en toveren van alles en nog wat tevoorschijn bij deze mannelijke mens. 

In het centrum belanden we bij een protest. Een op de toppen van zijn longen blèrende spreker wenst, met behulp van zijn rondzingende megafoon, dat de oorlog in Oekraïne diplomatiek moet worden opgelost. Ik geef je het maar te doen. Met een alleenheerser in het zadel is dat net als neuken voor maagdelijkheid. Zoals met Vietnam in de jaren zestig. Waar wil je de Russen dan mee tegenhouden? Achter het behang van Nie wieder Krieg-posters plakken?! De mens is zieker dan hij zelf in de gaten heeft. Laten we daarom maar een lekker wijntje gaan drinken, vrouwlief. Ernest Hemingway zei al: “Er is geen probleem op deze wereld dat niet valt op te lossen met een flinke teug whiskey”. Alcohol is zowel bewustzijnsvernauwend als geestverruimend. Je wiebeltakst fijntjes over een evenwichtsbalk van uniciteit en prutswerk. Feit blijft dat in dit spanningsveld de beste werken zijn geschreven die nooit meer zullen worden geschreven. Toch schoot Hemingway zichzelf uiteindelijk door het hoofd. Misschien was er dan toch iets mis met zijn whiskey-theorie. Dan maar beter naar de lekkerste donkerbruine bonen zoeken. Natuurlijk met behulp van Manons slimfoon. Geen dag begint echt goed zonder goede koffie. We nemen plaats op een buitenterrasje. ‘Waar worden de vluchtelingen in Rostock opgevangen?’ vraagt mijn vrouw. ‘In de HanseMesse, een grote evenementenhal’, wordt duidelijk gemaakt als de koffie is gebracht. ‘Jullie Nederlanders spreken een lief soort Duits’, zegt de bediening. Nou, je zou me eens in mijn beste hoestende uur moeten horen blaffen. In Duitsland las een waarzegster jaren geleden mijn hand. Ze keek me aan en zei: ‘Volgens jouw hand had je al lang dood moeten zijn.’ Aan m’n kuchje te horen had ze gelijk. Misschien ben ik ook eigenlijk allang dood, maar houdt Onze Lieve Heer mij voor de gek met de illusie van een gelukkig huwelijk.

(wordt vervolgd)

← Terug naar Schrijver